Veenweidegebied / veenweidelandschap

Veenweide-ontginningen vormen unieke middeleeuwse landschappen die - net als kaas, klompen en de Hollandse meesters - gerekend kunnen worden tot het karakteristiek Nederlands erfgoed. Al sinds de Romeinse tijd zijn veengebieden door middel van sloten ontwaterd om ze voor korte of langere tijd te kunnen gebruiken. De huidige Nederlandse veenweidegebieden zijn vooral in de middeleeuwen ontgonnen. In West Nederland zijn van de 10e tot de 13e eeuw de veengronden systematisch in cultuur gebracht, eerst op kleine schaal, later op initiatief van de Hollandse graven en Utrechtse bisschoppen. Aanvankelijk worden deze gronden voor akkerbouw gebruikt, maar al snel worden ze daar te nat voor en worden ze omgezet in weiland.

Kenmerkend voor deze gebieden zijn de openheid en de langgerekte kavels met dwars daarop boerderijen. In het Utrechtse en Hollandse veenweidegebied krijgen deze veenkavels vaak een vaste breedte en lengte. In andere gebieden is wel de breedte maar niet de lengte van de kavels van tevoren vastgelegd. Hierdoor zijn de percelen soms wel enkele kilometers lang geworden. Bijvoorbeeld in de omgeving van Staphorst en Rouveen is dit - ondanks de zeer ingrijpende schaalvergroting van het landschap - nog altijd goed waarneembaar.

Bijzonder is dat zowel de kenmerkende langgerekte verkavelingsstructuur als de openheid van deze eeuwenoude veenweidegebieden in Nederland relatief goed bewaard zijn gebleven. In Europese context behoren ze tot dan ook tot de oudste en meest oorspronkelijke cultuurlandschappen. De uitgestrekte kavels en sloten, lintdorpen en openheid zijn karakteristiek en al eeuwenlang bron van inspiratie voor Hollandse meesters: van Van Ruisdael tot Mondriaan. Lees meer over de ontwikkeling van het agrarische cultuurlandschap op de website Landschapinnl.nl (van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Het veen is door de eeuwen heen voor een groot deel verdwenen. De Kaart agrarische veenontginningen laat zien waar nog wel veenontginningen te zien zijn. Deze kaart toont de volgende informatie: de perceelsvorm of het verkavelingstype; de mate van zichtbaarheid van de historische verkavelingsstructuur; het type perceelscheiding (sloten en/of houtsingels); de ligging van de kenmerkende lintvormige nederzettingen.

Op deze kaart is onderscheid gemaakt in vijf verkavelingstypen: - Opstrekkende strokenverkaveling: dit landschap wordt gekenmerkt door langgerekte kavelstroken die vanaf de ontginningsbasis zijn verlengd totdat men op de grenzen van een andere veenontginning of een ander dorpsgebied stuitte. - Strokenverkaveling met vooraf vastgestelde diepte: deze categorie omvat de cope-ontginningen met een vooraf vastgestelde kaveldiepte. - Overige strokenverkaveling: dit landschap betreft strokenverkavelingen zonder duidelijke opstrekrichting of vooraf vastgestelde kaveldiepte. - Onregelmatige blokverkaveling: dit zijn landschappen waarbinnen de percelen overwegend bestaan uit kavelblokken zonder duidelijke opstrekrichting. - Overige verkaveling. (aldus de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Voorbeelden van kenmerkende veenweidegebieden en -landschappen in ons land zijn: - Groene Hart, waarbinnen specifieke regio's zoals Krimpenerwaard en Lopikerwaard. - Laag Holland.

- In het onderzoek Veenweidegebied van de Deltametropool zijn 5 veenpolders onder de loep genomen. Doel van het onderzoek was het verkennen van toekomstige ontwikkelingen in de veenweidegebieden van de Deltametropool tegen de achtergrond van de cultuurhistorie en in het licht van veranderende landbouw, ondergrond, bevolkingsopbouw, beleidscontext en de relatie tussen stad en land.

Bodemdaling tegengaan en CO2-reductie

Veenweiden Innovatiecentrum (VIC)
"Hoe remmen we de bodemdaling in het veenweidegebied af en welke oplossingen dragen bij aan CO2-reductie in het veenweidegebied? Deze vragen krijgt het Veenweiden Innovatiecentrum (VIC) in Zegveld dagelijks. “Bodemdaling stelt inwoners, agrariërs en overheden voor flinke uitdagingen. Wij zoeken naar innovaties om de bodemdaling af te remmen”, vertelt Erik Jansen, coördinator bij het VIC. Bodemdaling is al heel lang een probleem in de veenweidengebieden binnen de provincie Utrecht. De grootte van de bodemdaling ligt veelal tussen de 0,5 en 1 cm per jaar. Dit veroorzaakt veel schade aan gebouwen en wegen. In de agrarische gebieden zijn door de zakkende veenbodem hoge kosten voor het waterbeheer. Niet alleen de bodemdaling zelf is een probleem. Bij oxidatie van de veenbodem komt ook CO2 vrij en dat draagt bij aan de klimaatverandering. Ook om deze reden staat afremmen van de bodemdaling in de veenweidegebieden politiek hoog op de agenda.

Bodemdaling afremmen. Het VIC zoekt sinds 2012 als onafhankelijke stichting naar mogelijkheden om bodemdaling in het westelijke veenweidegebied af te remmen. Hiervoor krijgt zij steun van de provincie Utrecht. Jansen: “Bodemdaling ontstaat als het veen wordt blootgesteld aan zuurstof. Het veen gaat dan oxideren en klinkt in. Bij dat oxidatieproces komt er ook CO2 vrij. In het Klimaatakkoord staat dat de jaarlijkse uitstoot van CO2 uit veen in 2030 met 1 megaton verminderd moet zijn.” Alternatieven. Het VIC kijkt hoe bodemdaling geremd kan worden met instandhouding van de melkveehouderij. “We kijken of bijvoorbeeld een lichter koeienras een optie is voor de boeren in het veenweidegebied. Vragen daarbij zijn wat dat betekent voor de melkproductie en voor de uitstoot van methaan”, aldus Jansen. Ook bestudeert het VIC alternatieve teelten die goed passen bij de veenbodems en die economisch rendabel zouden kunnen worden. “Een voorbeeld is de ontwikkeling van gewassen die het goed doen in een natte bodem, zoals cranberries of lisdodde. De hoge grondwaterstand voorkomt dat er zuurstof bij het veen komt en daarmee stopt het oxidatieproces”, licht Jansen toe over de experimenten.

Jansen vervolgt: “Een andere ontwikkeling is het gebruik van waterinfiltratiesystemen. Dat werkt met water en druk, waardoor de afbraak van veen beperkt wordt en boeren makkelijker hun weides vochtig kunnen houden bij periodes van grote droogte.” In natte tijden wordt de grondwaterstand in weilanden verlaagd waardoor het vee er eerder op kan dan wanneer er geen waterinfiltratiesysteem is aangelegd. Financiering. De provincie Utrecht financiert samen met de provincie Zuid-Holland het VIC voor de periode 2020-2023. Dit doen zij samen met nog 7 andere overheidsinstellingen binnen het Westelijke veenweidegebied, namelijk provincie Noord-Holland en zes waterschappen: Rivierenland, Stichtse Rijnlanden, Hollands Noorderkwartier, Rijnland, Schieland en de Krimperwaard en Amstel, Gooi en Vechtstreek. Dit brede draagvlak is nodig om in het veenweidegebied een duurzaam bodem- en watersysteem te behouden en te ontwikkelen zodat het een vitaal en klimaatbestendig gebied blijft met een gezonde landbouwsector." (bron: Provincie Utrecht, april 2020)

Regionale koolstofbanken voor het veenweidegebied
"Het Rijk stelt in 2020 klimaatgelden beschikbaar voor het project Valuta voor Veen. Vanuit dit project worden een landelijke koolstofbank en vijf franchisefilialen voor veenweidegebieden opgezet. Met de regionale koolstofbanken worden grondeigenaren die waterpeilen verhogen om het veen te behouden en daardoor CO2-uitstoot besparen gefinancierd. De focus van dit project ligt op de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Friesland, Overijssel en Utrecht. Het initiatief om koolstofbanken op te zetten, is afkomstig van de Natuur en Milieufederaties.

Algemeen. Reductie van de broeikasgassenuitstoot uit de Nederlandse veenweiden is een van de maatregelen van de Nederlandse klimaatopgave. In het Klimaatakkoord is hiervoor een besparing van 1 megaton CO2 in 2030 afgesproken. Veenweiden stoten jaarlijks circa 7 megaton uit, zo'n vier procent van de hele CO2-uitstoot in Nederland, vergelijkbaar met de uitstoot van twee miljoen auto’s. De uitstoot van CO2 uit veen kan worden beperkt door het grondwaterpeil te verhogen, waardoor het veen aantoonbaar minder oxideert. Via pilots met onder andere de Friese Milieu Federatie, Projecten LTO Noord, Collectief It Lege Midden, Collectief de Noardlike Fryske Wâlden, Wetterskip Fryslân en de Provincie Fryslân is hiervoor een geschikte methodiek ontwikkeld. Deze methodiek, Valuta voor Veen, is in december 2019 vastgesteld door de Green Deal Nationale Koolstofmarkt. Deze vaststelling maakt de stap van ‘pilots’ naar ‘doen’ mogelijk. Toepassing leidt tot uitgifte van verhandelbare koolstofcertificaten (1 certificaat = 1 ton CO2-reductie) aan grondeigenaren. Het systeem van uitgifte van certificaten aan grondeigenaren wordt inmiddels in Duitsland al succesvol toegepast in het projectgebied 'Moorefuture'. Landelijk projectleider Monique Plantinga: “Wij gaan vanuit dit project samen met grondeigenaren 10 Valuta voor Veen gebiedsprojecten in de veenweiden opzetten, kopers aantrekken en koolstofcertificaten verhandelen via regionale koolstofbanken.”

Verdienmodel. De Valuta voor Veen-koolstofcertificaten worden aanboden op de vrijwillige koolstofmarkt. De verwachting is dat dit tussen de 400 en 700 euro per hectare op kan leveren. Daarnaast is er sprake van maatschappelijke baten. Monique Plantinga: “Naast een nieuwe vorm van inkomsten en naast een bijdrage aan de klimaatdoelen levert de methodiek meer op. Tegengaan van bodemdaling, creëren van betere omstandigheden voor weidevogels, bijdragen aan herstel van biodiversiteit en behoud van cultuurhistorisch veenweidegebied zijn bijvoorbeeld ook baten. Stapeling van inkomsten komt hierdoor ook in beeld. Kortom: investeren in veen loont!”

Nationale koolstofmarkt. Verkoop en aankoop van koolstofcertificaten is bestaande praktijk. De verwachting is dat deze handel ten gevolge van het Klimaatakkoord snel gaat toenemen. Steeds meer bedrijven, overheden en burgers investeren, via aankoop van certificaten, in projecten waarmee CO2-uitstoot wordt verminderd. De vrijwillige koolstofmarkt is een wereldmarkt waarin compensatie plaatsvindt in internationale projecten met name op het gebied van bosaanplant. Een vrijwillige koolstofmarkt op nationale schaal met regionale CO2-reductieprojecten bestond in Nederland nog niet. Monique Plantinga: “Met deze en aankomende methodieken ligt dit nu binnen bereik. Financiële en maatschappelijke baten vloeien hierdoor terug naar de regio in plaats van naar het buitenland. Deze baten dragen bij aan de doorontwikkeling van een toekomstbestendige landbouw in de veenweidegebieden.”

Regionale koolstofbanken. De Natuur en Milieufederaties hebben gemerkt dat de interesse in Nederland om koolstofcertificaten te kopen groot is. Monique Plantinga: “Het project is nog maar net gestart, toch merken we al grote interesse van potentiële kopers. Het ondersteunen van lokale CO2-reductieprojecten en tegelijkertijd bijdragen aan landbouwtransitie, klimaat en natuur spreekt kopers aan. Wat nog mist is een (regionaal) platform waar vraag en aanbod bij elkaar komt. Met de toegekende € 425.000,- vanuit de klimaatenvelop wordt dit mogelijk gemaakt.” Veenweideprojecten. Naast het opzetten van de regionale koolstofbanken is de ambitie om binnen twee jaar 10 gebiedsprojecten in veenweidegebieden op te zetten. Monique Plantinga: “Gesprekken met veenweideboeren en andere grondeigenaren zijn al gaande. Op korte termijn verwachten we de uitgifte van de eerste koolstofcertificaten." (bron: Provincie Overijssel, maart 2020)

- Een uniek en innovatief project in het Ilperveld in Landsmeer is "Omhoog met het Veen. Van bodemdaling naar duurzaam veenbehoud" in Laag Nederland (zie ook deze video over het project). Want veen verdwijnt met een sneltreinvaart uit Nederland. Op sommige plekken wel met 1-2 cm per jaar. Doel van het project is de enige echte duurzame oplossing te onderzoeken en te testen voor de Nederlandse veenpolders. Bodemdaling te stoppen en nieuwe veenvorming te stimuleren. Op 6 ha proefveld testen en onderzoeken ze dit in praktijk. Dat doen ze samen met de Radboud Universiteit Nijmegen en Onderzoekscentrum B-Ware. De provincie Noord-Holland financieert het onderzoek en de kennisuitwisseling.

Anno 2017 blijkt het project reeds succesvol; op grote delen van de proeflocatie groeien na 3,5 jaar veenvormende planten. De veenmossen hebben op sommige plekken al kussens van 7 cm dikte gevormd. Ook hebben de veenmossen spontaan nieuwe locaties gekoloniseerd en de uitstoot van broeikasgassen daalt sterk. De onderzoekers zijn blij verrast met de resultaten.

De veenbodem in grote delen van Nederland is in duizenden jaren opgebouwd vooral door de groei van veenmos. Het was dus ook de kunst het als gevoelig bekendstaande veenmos weer te laten groeien. Vooral het uitstrooien van klein gemaakte veenmosplantjes werkte het beste. De bodemdaling is met een stijgende zeespiegel een steeds groter probleem, maar niet het enige. Een inklinkende bodem stoot ook veel broeikasgassen uit. Kooldioxide, maar ook methaan. Op de onderzoekslocatie bleek uit de metingen dat het vrijkomen van broeikasgassen sterk vermindert als het veenmos goed aanslaat. De veenmossen leggen zelfs koolstof vast.

De resultaten van het onderzoek worden al gebruikt voor een volgend project: het Innovatieprogramma Veen. Hiermee beogen Agrarische Natuurvereniging Water, Land & Dijken en Landschap Noord-Holland de bodemdaling in het veenweidegebied tegen te gaan, maar nu op veel grotere schaal.

Verder doet op een proeflocatie bij Nauerna een melkveehouder ervaring op met veeteelt in natte omstandigheden, gebruik makend van onderwaterdrains aangesloten op een pompput. Bovendien wordt in een waterrijk proefveld in teeltvakken de productie van natte gewassen geïntroduceerd. Doel is met natte teelten een economische basis voor de landbouw te vinden in de veengebieden. En zo de bodemdaling en uitstoot van broeigassen te stoppen. Vooral in Duitsland zijn al goede resultaten behaald met de teelt van lisdodde. (bron en voor nadere informatie: zie de link aan het begin van dit hoofdstuk)

Onderwaterdrainage

Onderwaterdrainage is een van de mogelijkheden om de maaivelddaling in het Nederlandse veenweidegebied te verminderen. De keerzijde is dat onderwaterdrainage juist in droge perioden extra water vraagt. Dat stelt het onderzoeksinstituut Deltares. Ongeacht de gekozen maatregel om maaivelddaling te beperken zal de toekomstige zoetwatervraag waarschijnlijk per definitie toenemen. Bijvoorbeeld natte teelten in combinatie met slootpeilverhogingen leiden ook tot een extra watervraag. De afgelopen jaren is in een aantal proeven de toename van de watervraag op perceelschaal van veengebieden in kaart gebracht. In het recent uitgebrachte onderzoek van Deltares en Wageningen Universiteit en Research is de regionale toename van de watervraag voor onderwaterdrainage voor West-Nederland getoetst. Daarbij is de kennis uit lokale proefprojecten vertaald naar scenario’s voor het landelijk hydrologisch model.

In de proeven met onderwaterdrainage zijn de resultaten wisselend voor wat betreft het effect op de grondwaterstand. In het onderzoek lukte het niet altijd om voldoende water via de drains te laten infiltreren. Tijdens de proeven zorgden de onderwaterdrains gemiddeld voor 5 tot 10 centimeter verhoging van de laagste grondwaterstanden. Deze methode van onderwaterdrainage zou op regionaal niveau in een droge zomer volgens de modelstudie voor ongeveer 4% extra watervraag zorgen. Voor een substantiëler effect ter voorkoming van de maaivelddaling is een grotere infiltratie van water nodig. In proeven waarbij de drains werden uitgerust met een pomp, bleek een verhoging van de grondwaterstand met 30 tot 40 centimeter mogelijk. Om dit te realiseren zou regionaal ongeveer 18% extra inlaatwater nodig zijn. De resultaten van deze studie kunnen meewegen in beleidsmatige afwegingen ten aanzien van de toepassing van onderwaterdrainage voor veenweidegebieden. Voor meer zekerheid wordt aanbevolen om langjarige metingen te doen zodat de effecten op grondwaterstanden, maaivelddaling, broeikasgasemissies en waterkwaliteit voor de drogere jaren in de toekomst beter kunnen worden voorspeld. Voor nadere informatie zie het rapport 'Effecten van onderwaterdrainage op de regionale watervraag' (2019). (bron: Deltares, juni 2019)

Reactie toevoegen